Skip to content

Ben jij BIJ1 ?

Kom in actie en doe mee
voor radicale gelijkheid.

DOE
MEE

Het WO


Dit achtergrondstuk hoort bij hoofdstuk 6 Onderwijs en wetenschap uit ons verkiezingsprogramma.

In het wetenschappelijk onderwijs (wo) is het niet veel beter dan in andere onderwijssectoren. Sinds 2000 zijn er 68% meer studenten in het wo, en is de rijksbijdrage per student met maar liefst 25% geslonken. De Nederlandse uitgaven aan het wo blijven ver achter in vergelijking met andere landen.

Universitair personeel werkt structureel en massaal over. De werkdruk is enorm. Docenten worden gedwongen hun onderzoekstijd te gebruiken voor onderwijs, omdat daar veel te veel werk is. Daardoor moeten zij hun onderzoek vaak in hun vrije tijd doen, wat zorgt voor een nog hogere ervaring van werkdruk en massale burn-outs. Uit onderzoeken van FNV en VAWO blijkt dat 78% van het personeel aan universiteiten in de weekenden en avonden moet werken om hun werk bij te te houden, maar dat 73% zelfs dan hun werk nog niet af krijgt. Bijna de helft van de docenten werkt gewoon door als ze ziek zijn. Ook krijgt ruim driekwart het overwerk niet gecompenseerd. Meer dan de helft geeft aan lichamelijke of psychische klachten te hebben als gevolg van de hoge werkbelasting. De toenemende studentenaantallen, een ontoereikende urenvergoeding en het personeelstekort zorgt ervoor dat de werkdruk alleen maar toeneemt. Hierdoor ontstaat er een lagere betrokkenheid, minder bevlogenheid en een lage tevredenheid onder docenten.

Als gevolg van de structurele afname in financiering en de toenemende onzekerheid in financiering van afgestudeerde PhD-studenten is het aantal flexibele contracten voor gepromoveerden aan de universiteit ernstig toegenomen. Deze toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt zorgt voor een grote prestatiedruk, veel onzekerheid en werkstress. Het is belangrijk dat promovendi een vast contract krijgen in plaats van dat ze met beurzen worden beloond, om hun rechten en financiering te waarborgen. Daarnaast moet de NWO garanderen dat jonge onderzoekers genoeg kansen hebben om gesubsidieerd te worden.

Deze verarming van het wetenschappelijk onderwijs zorgt ervoor dat de onderwijskwaliteit achterblijft. De voorbereidingstijd voor colleges neemt af, het aantal studenten per werkgroep neemt toe. Het aantal scripties dat docenten moeten begeleiden is zo groot dat de kwaliteit van de begeleiding hieronder lijdt. Om al deze schadelijke ontwikkelingen tegen te gaan, stellen wij het volgende voor: de doelmatigheidskorting wordt afgeschaft, om verdere bezuinigingen in het wo te voorkomen. Daarnaast moet de overheidsbijdrage aan het wo hersteld worden naar het niveau van 2000. Dit komt neer op een extra investering van 1,15 miljard euro per jaar. Zo keert de rijksbijdrage per student terug naar een niveau waarop het onderwijs een betere kwaliteit zal hebben op alle vlakken.

Ook moet er meer democratisering en decentralisatie komen op het hoger onderwijs. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door het herintroduceren van de Universiteitsraad zoals die tot halverwege de jaren ‘90 bestond, waarin studenten en medewerkers gezamenlijk fungeren als een soort parlement, en instemmingsrecht, budgetrecht en initiatiefrecht hebben. Colleges van Bestuur en Raden van Toezicht worden afgeschaft. Decanen moeten gekozen kunnen worden. Er moet kritisch gekeken worden naar de bachelor-masterstructuur (en het promotietraject) van het Bologna-akkoord, waarmee een hele reeks aan centralisering, uniformisering en marktwerking in gang is gezet. De accreditatie van opleidingen zou minder op eindtermen en leerdoelen gebaseerd moeten zijn. Onderwijsinstellingen en vooral democratische en decentrale organen in die instellingen zouden hier een sterke stem in moeten hebben.

Marktwerking in het hoger onderwijs moet tegengegaan worden. De arbeidsmarkt dient geweerd te worden van (semi-)openbare instellingen in zoverre zij onderwijs en onderzoek op de universiteit en hogeschool ondermijnt. Leren draait niet om duurzame inzetbaarheid voor de arbeidsmarkt of om het hiertoe verkrijgen van ‘competences’, maar om nieuwsgierig verkennen en bestuderen, om falen, om het cultiveren van een houding tegenover de wereld. Universiteiten moeten hun geld verdelen onder faculteiten en opleidingen op basis van input, niet output. Nu is het zo dat faculteiten en opleidingen budget krijgen op basis van de hoeveelheid studenten, behaalde studiepunten en behaalde diploma’s. In plaats daarvan zou er gekeken moeten worden naar wat een vak en opleiding daadwerkelijk aan budget nodig heeft om goed onderwijs te kunnen bieden.

Tot slot moeten medewerkers een beroep kunnen doen op onafhankelijke ombudsbureaus, die op hun beurt de macht en middelen hebben om een onderzoek te beginnen naar misstanden.